Zienswijze VLMH op conceptbestemmingsplan voor bedrijfsterrein H2O

Hier volgt de volledige tekst van de zienswijze van de VLMH (29 november 2016).

Geacht College,

Hierbij sturen wij u onze reactie op het ontwerpbestemmingsplan.

Het terrein waarop H2O moet komen is agrarisch, er zijn diverse beschermde soorten aangetoond. Omdat de kavelverkoop tegenviel op wat het conceptbestemmingsplan een toplocatie noemt, wil de gemeente op dit terrein nu grootschalige logistieke en hogere milieucategorie bedrijven toestaan.

Economische onderbouwing mist

H2O is niet uit een economische realiteit ontstaan en eenmaal gestart creëren dit soort politieke initiatieven hun eigen werkelijkheid. Stoppen is moeilijker dan doorgaan, veel geld is al besteed, veel mensen en organisaties betrokken, en zo struikelen projecten tegen beter weten in veelal onherroepelijk door en in het geval van H2O naar een resultaat dat bij de start van het project onacceptabel zou zijn geacht: grootschalige en hogere milieu categorieën bedrijven welstandsvrij in een agrarisch gebied. Het conceptbestemmingsplan dat nu voorligt is maar liefst 3155 pagina’s dik. Het volume kan de zwakke basis echter niet verhullen.

 De markt is niet goed. Het H2O terrein is duur om te ontwikkelen en dat leidt tot een grondprijs die slecht kan concurreren met andere terreinen in de omgeving.

De vraag vanuit de maakindustrie naar ruimte zal sowieso beperkt zijn. Logistieke bedrijven tonen wat dynamiek, maar Gelderland is niet erg in trek bij bedrijven in logistiek. H2O moet het vooral hebben van bedrijven die al in de regio zijn, of te wel vervangingsvraag en daar zijn drempels die verhuizen naar H2O duur maken en in deze categorie zijn al veel pogingen mislukt. Daarbij neemt naar verwachting de vraag naar bedrijfsterreinen binnenkort af in een regio waar nu al enige overcapaciteit voor bedrijfsterreinen bestaat.

Er is door verschillende partijen waaronder de VLMH op gewezen dat H2O niet levensvatbaar is. Reacties van de gemeente in de reactienota verwarren economische haalbaarheid echter met wettelijke of procedurele mogelijkheid en dit leidt tot ongrijpbare en irrelevante antwoorden. De GMNF wees er vorig jaar bijvoorbeeld op dat de onderbouwing ontbreekt voor de uitbreidingsvraag van 50% in de regio door de sector logistiek en transport die de gemeente veronderstelt. Dit is een cruciaal punt: dit gegeven ligt immers aan de basis van deze vervolgstap van de gemeente en de uitwerking naar dit conceptbestemmingsplan. De praktijk leerde anders, prognoses werden bijgesteld.

In de reactienota ‘overleg en inspraak bestemmingsplan bedrijvenpark H2O’ wordt een recent onderzoek van Buck Consultancy aangehaald als antwoord op de vraag van de GMNF over de 50 % uitbreidingsvraag van bedrijven: ‘de vraag naar het bedrijvenpark komt voor meer dan de helft van logistieke bedrijven’. Maar dat is toch echt wat anders dan een uitbreidingsvraag van 50%. Het is nu precies de onderbouwing van de vraag, die uitbreiding van 50% in de regio, die ontbreekt en waar ook de VLMH vragen over stelde.

Buck Consultancy schreef daarnaast geen economische haalbaarheidsstudie. Het formuleert een marketingstrategie gegeven dat er een bedrijvenpark komt. Het beantwoordt de vraag hoe dat wat men wil creëren het beste gemarket kan worden. Of te wel, het gaat ervan uit dat er een aanbod is, waarbij een vraag gevonden moeten worden. Het consultancyrapport worstelt zich daar dapper naar toe. Als er vraag is komt dat waarschijnlijk voor de helft van logistieke bedrijven gezien de ligging van het terrein en het ontbreken van andere geïnteresseerden. Mogelijkheden voor maakindustrie worden klein ingeschat. Een goede lezer ziet vooral economische argumenten voor de onhaalbaarheid van een bedrijventerrein op de plek van H2O in het Buck Consultancy rapport. De details in de omschrijving van de economische realiteit in deze brief in de derde paragraaf komen vrijwel allemaal uit dit rapport (definitief concept).

De vraag naar de economische haalbaarheid is nog steeds onbeantwoord. Dat wat bekend is, de ervaringen, de verkoop van kavels tot nu toe en het verloop en momentum van een project welke als vanzelf toerolt naar zwaardere industrie: het wijst er allemaal op dat een reële exploitatie van het bedrijvenpark gewoonweg niet realistisch is. Desondanks kiest u ervoor om een grote belasting mogelijk te maken in dit gebied.

Welstandsvrij

Het gebied wordt welstandsvrij. U beroept zich op zelfregulering: er zou vanzelf druk ontstaan om tot een aantrekkelijk park te komen, door de individuele belangen van de bedrijven en de participatiemaatschappij. De participatiemaatschappij, werkelijk?

Na lezing van het Buck Consultancy Rapport dient zich een andere, meer aannemelijke verklaring aan. De vraag voor H2O lijkt dusdanig beroerd dat de welstandseisen worden losgelaten. Of te wel, welstandsvrij is het Unique Selling Point van H2O in een snel verslechterende en sterker concurrerende markt voor bedrijfsterreinen waarop H2O al weinig kans maakte. Van zelfsturing zal geen sprake zijn. Welstandsvrij zorgt in dit geval niet voor een aantrekkelijk en succesvol bedrijvenpark, maar voor hier en daar een 25 meter hoge bebouwing die elders niet kon, en in strijd met de NRD.

Conclusie

De VLMH is niet tegen vooruitgang of werkgelegenheid. Maar dat lijkt hier niet aan de orde. Het rendement is al eerder bijgesteld. Zonder acceptabele onderbouwing zijn milieubelastende maatregelen onwenselijk.

Wij vragen u nogmaals om een onafhankelijk economische haalbaarheidsstudie voor H2O. Tot de haalbaarheid aannemelijk gemaakt is, verzoeken wij u geen grootschalige logistieke en hogere milieucategorie industrie toe te staan en het terrein op Hattems grondgebied haar agrarische bestemming te laten behouden. Indien een goede economisch onderbouwde casus te maken is, mag het gebied niet welstandsvrij zijn en dient de milieubelasting acceptabel te zijn.

Hoogachtend,

 

Drs. Pauliene Mars, mba

Voorzitter VLMH